ECLI:NL:CRVB:2020:611
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- J.T.H. Zimmerman
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens beschikking over erfenis
Appellant ontving sinds 2005 bijstand op grond van de Participatiewet. Na een melding over een erfenis in Suriname startte de gemeente Amsterdam een onderzoek, waaruit bleek dat appellant een aandeel van een perceel grond had geërfd en dit aandeel was verkocht aan bedrijf X. De opbrengst van € 350.000,- was betaald aan een gemachtigde, A, die namens appellant optrad.
Het college trok de bijstand met ingang van 18 mei 2015 in en vorderde de kosten van bijstand terug, omdat appellant beschikte over vermogen boven het vrij te laten bedrag. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep betwistte appellant dat hij daadwerkelijk over het bedrag kon beschikken.
De Raad oordeelde dat de term 'beschikken' inhoudt dat men feitelijk over het vermogen kan beschikken om in noodzakelijke kosten te voorzien. Uit notariële verklaringen en bankafschriften bleek dat het bedrag op 18 mei 2015 was uitbetaald aan A. Appellant slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij redelijkerwijs niet over het geld kon beschikken, ondanks lopende civiele procedures en aangifte tegen A.
Daarmee faalden de beroepsgronden en werd de aangevallen uitspraak bevestigd. De terugvordering werd niet zelfstandig bestreden en bleef buiten beschouwing. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand omdat appellant kon beschikken over de opbrengst van de verkoop van een erfenis.