ECLI:NL:CRVB:2020:595
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens niet gemelde inkomsten uit arbeid en ziektewetuitkering
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en werd onderzocht vanwege vermoedens van niet gemelde inkomsten uit arbeid en een ziektewetuitkering in de periode van december 2015 tot augustus 2017. Het college stelde vast dat appellant deze inkomsten niet tijdig had gemeld, wat leidde tot een besluit tot herziening van de bijstand en terugvordering van €11.425,83.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij wel tijdig had geïnformeerd en dat hem geen verwijt kon worden gemaakt, mede verwijzend naar een eerdere uitspraak. De Raad oordeelde echter dat appellant dit niet met objectieve en verifieerbare stukken had onderbouwd en dat de inlichtingenverplichting objectief is, waarbij verwijtbaarheid niet relevant is.
Appellant stelde verder dat er dringende redenen waren om af te zien van terugvordering vanwege zijn financiële situatie. De Raad stelde dat dergelijke dringende redenen alleen kunnen bestaan bij onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen, die appellant onvoldoende had aangetoond.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam, en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijstand wordt bevestigd.