ECLI:NL:CRVB:2020:535
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens verdiencapaciteit boven 65 procent
Appellante was werkzaam als verkoopster en meldde zich ziek met lichamelijke en later psychische klachten. Het UWV kende haar een Ziektewetuitkering toe, die na een eerstejaars beoordeling werd voortgezet. Een verzekeringsarts stelde in januari 2017 beperkingen vast in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige berekende dat appellante 84,41% van haar maatmaninkomen kon verdienen, waarna het UWV haar uitkering per 15 maart 2017 beëindigde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen juist waren vastgesteld. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar situatie niet serieus was onderzocht en dat zij ook psychische klachten had, maar kon dit niet onderbouwen met medische stukken.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht de uitkering beëindigde omdat appellante meer dan 65% van haar maatmaninkomen kan verdienen. Hoewel het bestreden besluit aanvankelijk onvoldoende was gemotiveerd, werd dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro gepasseerd. Het hoger beroep werd afgewezen en het UWV werd verplicht het betaalde griffierecht te vergoeden.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellante is terecht beëindigd omdat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kan verdienen.