ECLI:NL:CRVB:2020:459
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit UWV over beëindiging recht op ziekengeld na eerstejaarsbeoordeling
Appellant was productiemedewerker en meldde zich ziek met rug-, nek- en armklachten. Na beëindiging van zijn dienstverband werd hij in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet. Het UWV stelde bij besluit vast dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen, waardoor het recht op ziekengeld werd beëindigd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij zij het medisch onderzoek zorgvuldig vond en het oordeel van de verzekeringsarts correct. Appellant stelde in hoger beroep dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was omdat hij niet door de verzekeringsarts bezwaar en beroep was gezien en dat zijn klachten meer beperkingen rechtvaardigen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd, ook al is appellant niet persoonlijk gezien door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De Raad volgt het oordeel dat beperkingen objectief moeten worden vastgesteld en wijst het betoog van appellant over de diagnose somatisch-symptoomstoornis af. Het UWV heeft ook voldoende gemotiveerd dat de geselecteerde functies medisch geschikt zijn.
Daarmee wordt het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV bevestigd dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld.