ECLI:NL:CRVB:2020:369
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewetuitkering per 30 juni 2016 na zorgvuldig medisch onderzoek UWV
Appellante was administratief medewerker en meldde zich in 2014 ziek vanwege psychische klachten. Na een WIA-beoordeling in 2016 werd vastgesteld dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geschikt voor andere functies. Het UWV weigerde daarom een Ziektewetuitkering per 30 juni 2016. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de arts bezwaar en beroep de beperkingen inzichtelijk had gemotiveerd.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan, onder meer door geen psychiatrisch onderzoek te laten verrichten en het effect van specialistische GGZ-zorg niet af te wachten. Ook wees zij op een latere ziekmelding in november 2016 die leidde tot een ZW-uitkering. De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat deze latere toekenning verband hield met andere lichamelijke klachten en niet met de situatie op 30 juni 2016.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen reden was om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. Er was geen aanleiding tot het benoemen van een onafhankelijke deskundige. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de Ziektewetuitkering per 30 juni 2016 bevestigd.