Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2020:3528

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 december 2020
Publicatiedatum
6 januari 2021
Zaaknummer
20/800 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 55v Besluit algemene rechtspositie politieRegeling aanvraag plaatsing op een andere dan de ambtenaar opgedragen functie (RAAF)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek plaatsing in hogere politiefunctie wegens onvoldoende functieniveau

Appellant, werkzaam als [functie 1] en later geplaatst in [functie 2], verzocht om plaatsing in de hogere functie [functie 3] op grond van de Notitie tijdelijke tewerkstellingen en de Aanvulling werkinstructie. Hij stelde dat hij gedurende minimaal drie jaar voorafgaand aan 1 juli 2017 werkzaamheden had verricht die overeenkomen met de hogere functie. De korpschef wees het verzoek af omdat appellant niet in overwegende mate voldeed aan de niveaubepalende elementen van de functie.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel, waarbij werd vastgesteld dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij gedurende de vereiste periode de werkzaamheden van de hogere functie ononderbroken en in overwegende mate had uitgevoerd. De Raad benadrukte dat het functioneren aan vier cumulatieve criteria moest voldoen, waaronder schriftelijke onderbouwing en continuïteit van de werkzaamheden.

De Raad wees ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel af, omdat appellant niet beschikte over een verklaring die een gezagspositie bevestigde, in tegenstelling tot een collega. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het verzoek van appellant om plaatsing in de hogere functie is afgewezen wegens onvoldoende aantoonbare functievervulling.

Uitspraak

20.800 AW

Datum uitspraak: 10 december 2020
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 14 januari 2020, 19/1452 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de korpschef van politie (korpschef)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W. de Klein, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Klein. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Stové.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant was voor de invoering van het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) werkzaam als [functie 1] bij de voormalige politieregio [regio]. Appellant is in het kader van de zogenoemde reorganisatie Politiewet 2012 geplaatst in de functie van [functie 2], gewaardeerd in salarisschaal 8.
1.2.
Appellant heeft op 22 augustus 2017 een verzoek ingediend om op grond van de Notitie tijdelijke tewerkstellingen in fase 2 (Notitie), zoals aangevuld met de Aanvulling werkinstructie inzake Tijdelijke tewerkstellingen in de periode tot 1 juli 2016 (Aanvulling), te worden geplaatst in de functie van [functie 3], salarisschaal 9. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat hij al geruime tijd, in elk geval in een onafgebroken periode van drie jaar voor 1 juli 2017, werkzaamheden heeft verricht die vallen binnen de functieomschrijving van de LFNP-functie van [functie 3].
1.3.
Bij besluit van 13 februari 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 februari 2019 (bestreden besluit), heeft de korpschef dit verzoek afgewezen. Daartoe is overwogen dat de feitelijke werkzaamheden van appellant niet in overwegende mate voldoen aan de niveaubepalende elementen van de door appellant geambieerde functie van [functie 3], als omschreven in het onderdeel “kern van de functie” in deze functie. De korpschef heeft uiteengezet dat appellant niet voldoet aan de niveaubepalende elementen analyseren, organisatorische coördinatie en regiepositie in netwerken, zodat appellant niet valt binnen de reikwijdte van de Notitie en niet kan worden geplaatst op de functie van [functie 3].
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De Raad stelt vast dat het verzoek van appellant om te worden geplaatst in de functie van [functie 3], salarisschaal 9, berust op de Notitie en de Aanvulling. Dit betekent dat de korpschef in de bestreden besluitvorming terecht heeft beoordeeld of appellant een geslaagd beroep toekwam op de Notitie en Aanvulling en of er op deze grond aanleiding bestond om hem te plaatsen op de door hem geambieerde functie van [functie 4]. De rechtbank heeft dit niet onderkend en het bestreden besluit ten onrechte getoetst aan de Regeling aanvraag plaatsing op een andere dan de ambtenaar opgedragen functie (RAAF), Stcrt. 2016, 38696.
4.2.
Het geschil spitst zich in hoger beroep dus toe op de vraag of appellant een geslaagd beroep toekomt op de Notitie en Aanvulling en of er op deze grond aanleiding bestaat om hem te plaatsen op de door hem geambieerde functie van [functie 4].
4.2.1.
De Notitie en de Aanvulling vormen een uitwerking van de in artikel 55v van het Besluit algemene rechtspositie politie neergelegde hardheidsclausule voor die situaties dat een medewerker gedurende fase 1 van de reorganisatie (dus tot juli 2016) gedurende een periode van drie jaar tijdelijk was tewerkgesteld in een andere functie.
Om in aanmerking te komen voor plaatsing op de gewenste functie dient aan vier cumulatieve criteria te worden voldaan:
- De betrokkene dient de door hem gevraagde LFNP-functie gedurende minimaal drie jaar voorafgaand aan 1 juli 2016 ononderbroken uit te hebben geoefend. De vraag of de gewenste functie daadwerkelijk is uitgevoerd moet worden beantwoord aan de hand van de niveaubepalende elementen van die functie. Noodzakelijk is dat vastgesteld wordt dat door het uitoefenen van de tijdelijke werkzaamheden in overwegende mate is voldaan aan de niveaubepalende elementen van de andere functie. Deze zijn omschreven in het onderdeel “kern van de functie van de betreffende LFNP-functie”;
- De tewerkstelling dient schriftelijk te kunnen worden onderbouwd door de medewerker;
- De gewenste functie moet zijn ingericht in de nieuwe formatie. Er moet dus sprake zijn van werkzaamheden die vanuit het bedrijfsvoeringsbelang ook na de reorganisatie worden gecontinueerd;
- Het functioneren van de medewerker dient voldoende te zijn.
4.2.2.
In aanvulling hierop biedt de (aanvullende) werkinstructie Tijdelijke tewerkstellingen na 1 juli 2016 van 4 april 2017 (Werkinstructie) de mogelijkheid tot plaatsing in de gewenste functie voor gevallen waarin de periode van drie jaar onafgebroken uitoefenen van een andere functie wordt bereikt na 1 juli 2016, maar voor 1 juli 2017.
4.3.
De kern van de functie van [functie 4] behelst blijkens de betreffende LFNP-beschrijving het volgende:
“De [functie 3] draagt bij aan de handhaving van de openbare orde en aan veiligheid en leefbaarheid in de samenleving door de uitvoering van (werkterreingerelateerde) operationele politietaken en de inzet ervan bij de aanpak van veiligheidsproblematiek te analyseren, over verbeteringen te adviseren, verbeteringen te initiëren en vastgestelde verbeteringen te implementeren, resultaten te evalueren en over bijsturing te adviseren. Hij stelt - in het kader van voorbereiding - plannen van aanpak op en verricht organisatorische coördinatie. Hij voert daarnaast zelfstandig (werkterreingerelateerde) operationele politietaken uit. De [functie 3] initieert, bouwt, onderhoudt en regisseert (werkterreingerelateerde) netwerken ten behoeve van gezamenlijke aanpak van veiligheidsproblematiek, maakt uitvoeringsafspraken, stuurt op het maken van randvoorwaardelijke afspraken, en stuurt op nakoming van afspraken. De [functie 3] bevordert en beoordeelt als mentor de professionaliteit van collega’s.”
4.4.
De Raad stelt voorop dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat er in dit geval sprake is geweest van enigerlei afspraak of opdracht, in welke vorm dan ook, tot vervulling van andere dan de eigen werkzaamheden. De korpschef heeft niettemin onderzocht of appellant feitelijk toch, gedurende de vereiste periode van minimaal drie jaar voorafgaand aan 1 juli 2017, ononderbroken de werkzaamheden van een [functie 3], schaal 9 heeft verricht. De korpschef heeft geconcludeerd dat daarvan geen sprake is geweest en net als de rechtbank volgt de Raad hem daarin.
4.5.
Zoals de korpschef heeft toegelicht is van het stelselmatig analyseren van functie en vakgebied niet gebleken, en evenmin van monitoring en evaluatie van verbeteringen binnen de functie en het vakgebied. Het opstellen van plannen van aanpak ten behoeve van de eigen werkzaamheden en het reflecteren op het eigen werk zijn daarmee niet op één lijn te stellen. Gezien het niet volledig zelfstandig voeren van functioneringsgesprekken en het ontbreken van een bevoegdheid tot zelfstandige vaststelling en ondertekening van beoordelingen was evenmin sprake van organisatorische coördinatie. Ook van een regiepositie in netwerken, in de zwaarte van die rol zoals die in de functie van [functie 3] aan de orde is, is niet gebleken. Daarmee heeft de korpschef met juistheid geconcludeerd dat gedurende de periode van belang niet in overwegende mate is voldaan aan de niveaubepalende elementen in de functie van [functie 3].
4.6.
Het door appellant gedane beroep op de (toelichting bij) de RAAF, in welke regeling een soortgelijke beoordeling aan de orde is als in deze zaak, leidt niet tot een ander oordeel. De in de toelichting bij de RAAF genoemde uitzonderingen op het uitgangspunt dat aan alle niveaubepalende elementen van de gewenste functie moet zijn voldaan, zijn in dit geval niet aan de orde.
4.7.
Wat betreft het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel wordt nog overwogen dat van gelijke gevallen geen sprake is, alleen al niet nu ten behoeve van de bewuste collega door diens teamchef een verklaring is afgegeven, onder meer inhoudend dat deze collega een gezagspositie bekleedde. Appellant beschikt niet over zo’n verklaring. In het midden kan dus blijven of ten aanzien van de bedoelde collega al of niet een juiste beslissing is genomen.
4.8.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal, gezien het overwogene onder 4.1 met verbetering van gronden, worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van E.M. Welling als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2020.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) E.M. Welling