ECLI:NL:CRVB:2020:3528
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek plaatsing in hogere politiefunctie wegens onvoldoende functieniveau
Appellant, werkzaam als [functie 1] en later geplaatst in [functie 2], verzocht om plaatsing in de hogere functie [functie 3] op grond van de Notitie tijdelijke tewerkstellingen en de Aanvulling werkinstructie. Hij stelde dat hij gedurende minimaal drie jaar voorafgaand aan 1 juli 2017 werkzaamheden had verricht die overeenkomen met de hogere functie. De korpschef wees het verzoek af omdat appellant niet in overwegende mate voldeed aan de niveaubepalende elementen van de functie.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel, waarbij werd vastgesteld dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij gedurende de vereiste periode de werkzaamheden van de hogere functie ononderbroken en in overwegende mate had uitgevoerd. De Raad benadrukte dat het functioneren aan vier cumulatieve criteria moest voldoen, waaronder schriftelijke onderbouwing en continuïteit van de werkzaamheden.
De Raad wees ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel af, omdat appellant niet beschikte over een verklaring die een gezagspositie bevestigde, in tegenstelling tot een collega. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek van appellant om plaatsing in de hogere functie is afgewezen wegens onvoldoende aantoonbare functievervulling.