ECLI:NL:CRVB:2020:3515
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding met ex-echtgenote
Appellant ontvangt sinds 2010 een AOW-pensioen voor alleenstaanden. Na een onderzoek van de Sociale verzekeringsbank (Svb) in 2017, waarbij onder meer Suwinet-gegevens en een huisbezoek werden geraadpleegd, werd vastgesteld dat appellant sinds 2008 op hetzelfde adres woont als zijn ex-echtgenote met wie hij twee kinderen heeft. De Svb verlaagde het pensioen met toepassing van artikel 19 AOW Pro en wijzigde dit later definitief naar een gehuwd pensioen.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de herziening ongegrond en oordeelde dat sprake is van een onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding, ongeacht dat de kinderen meerderjarig zijn en het huwelijk is ontbonden. Ook wees de rechtbank het beroep op verjaring af en motiveerde de terugvordering van te veel ontvangen pensioenbedragen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het rechtsvermoeden niet van toepassing is, dat onvoldoende onderzoek is gedaan, en dat het vertrouwensbeginsel is geschonden. De Raad verwierp deze gronden, bevestigde het onweerlegbaar rechtsvermoeden en oordeelde dat er geen dringende redenen zijn om van herziening af te zien. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraken bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening van het AOW-pensioen bevestigd.