ECLI:NL:CRVB:2020:3466

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 december 2020
Publicatiedatum
30 december 2020
Zaaknummer
20/1613 PW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:4 AwbArt. 6:15 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens te late indiening bij verlaging bijstand

Appellante kreeg bijstand verlaagd met 30% voor de duur van één maand vanaf 1 juli 2019. Tegen dit besluit stelde zij bij de rechtbank beroep in, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroep te laat was ingediend en geen sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding.

In hoger beroep voerde appellante aan dat zij binnen de beroepstermijn telefonisch haar bezwaren had geuit, wat volgens haar als een pro forma beroepschrift had moeten worden aangemerkt. De Raad verwierp dit omdat telefonisch geuite bezwaren niet gelijkgesteld kunnen worden aan een schriftelijk beroepschrift zoals vereist volgens de Awb.

Verder stelde appellante dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was omdat rechtshulpverleners niet adequaat hadden gehandeld. De Raad oordeelde dat de inspanningen van appellante onvoldoende zijn om de termijnoverschrijding te rechtvaardigen en dat het falen van haar rechtshulpverleners voor haar rekening komt.

De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening zonder verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

20.1613 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 maart 2020, 19/5800 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 15 december 2020
Zitting heeft: O.L.H.W.I. Korte
Griffier: T. Ali
Appellante en haar advocaat mr. drs. ir. G.A.S. Maduro BaMa MBA hebben via videobellen deelgenomen aan de zitting. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.E. van Dijk.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Bij besluit van 17 juni 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 oktober 2019 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante bij wijze van maatregel met ingang van 1 juli 2019 voor de duur van één maand verlaagd met 30 %.
Op 14 november 2019 heeft appellante bij de rechtbank tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat appellante het beroep te laat heeft ingediend en geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij binnen de beroepstermijn haar bezwaren tegen het bestreden besluit telefonisch heeft geuit bij het college. Het college had notities van dit gesprek gelet op artikel 6:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) door moeten zenden aan de rechtbank, zodat de rechtbank dat als een pro forma beroepschrift had kunnen aanmerken. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante gewezen op de uitspraken van 9 juni 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM7239 en van 17 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:127.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de door appellante telefonisch gedane aankondiging dat zij het niet eens is met de beslissing op bezwaar niet gelijk kan worden gesteld met een beroepschrift dat ingevolge artikel 6:15 van Pro de Awb doorgezonden dient te worden aan de rechtbank. Zo is in ieder geval niet voldaan aan de in artikel 6:4, derde lid, van de Awb neergelegde eis dat alleen schriftelijk beroep kan worden ingesteld. Dat onder omstandigheden telefonisch geuite bezwaren als een bezwaarschrift kunnen worden aangemerkt, zoals het geval is in de uitspraken waar appellante naar heeft verwezen, doet daar niet aan af. Daarbij is van belang dat beroep een ander soort rechtsmiddel is bij een ander orgaan en met andere gevolgen.
Appellante heeft verder aangevoerd dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Appellante heeft veel moeite gedaan om rechtshulpverleners te bewegen om namens haar tijdig beroep in te stellen. De rechtbank heeft dat onvoldoende onderkend.
Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Uit wat appellante heeft aangevoerd en toegelicht ter zitting volgt dat zij gedurende de beroepstermijn contact heeft gehad met diverse rechtshulpverleners en dat een van die rechtshulpverleners haar heeft geholpen met het opstellen van het door haar zelf ingediende beroepschrift. In het beroepschrift van 14 november 2019 is onder andere opgenomen dat appellante de beroepstermijn in gevaar ziet komen en zij om die reden pro forma beroep instelt. Dit beroepschrift is echter al buiten de beroepstermijn ingediend. Dat die rechtshulpverleners – zich kennelijk bewust van het risico van termijnoverschrijding – in dat opzicht niet adequaat hebben gehandeld komt voor rekening en risico van appellante. Dat zij veel moeite heeft gedaan om tijdig beroep in te stellen speelt daarbij geen rol. Dit betekent dat van een verschoonbare termijnoverschrijding geen sprake is.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) T. Ali (getekend) O.L.H.W.I. Korte