ECLI:NL:CRVB:2020:346
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens gebrek aan procesbelang bij AOW-pensioen
Appellant ontving vanaf juni 2011 een AOW-pensioen volgens de norm voor alleenstaanden. Na huisbezoeken in 2017 besloot de Sociale Verzekeringsbank (Svb) het pensioen te verlagen naar de gehuwdennorm, omdat appellant en zijn echtgenote niet duurzaam gescheiden leefden. Appellant maakte bezwaar en stelde dat hij en zijn echtgenote sinds juni 2017 duurzaam gescheiden leven, waarna de Svb een nieuw besluit nam dat het pensioen voor alleenstaanden toekent.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang, omdat het resultaat dat appellant nastreefde al was bereikt met het nieuwe besluit van 2 oktober 2017. Het principiële belang van appellant om vrijer omgang te hebben met zijn echtgenote zonder pensioenverlaging werd als onvoldoende procesbelang beoordeeld.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij belang had bij een uitspraak omdat het besluit van 11 mei 2017 zijn omgang met zijn echtgenote beperkt en hij zich beroept op de twee-woningenregel. De Raad oordeelde dat het belang van appellant onvoldoende concreet en feitelijk was, omdat toekomstige omgang en mogelijke pensioenverlaging een onzekere toekomstige gebeurtenis betreft die niet in deze procedure kan worden beoordeeld.
De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt bevestigd als niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang.