ECLI:NL:CRVB:2020:3443
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling waarde motor en terugvordering bijstand bij niet gemeld vermogen
Appellant ontvangt sinds 1994 bijstand en heeft het bezit van een motor niet gemeld, waardoor het college het recht op bijstand introk en kosten terugvorderde. Het college stelde de waarde van de motor vast op basis van gemiddelde vraagprijzen van vergelijkbare motoren met een korting van 25%, wat leidde tot een terugvordering van € 14.267,62, later gematigd tot € 2.649,50.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar in hoger beroep oordeelt de Raad dat de waardering van het college niet volledig juist was. Eén vergelijkingsmotor met een hoge vraagprijs van een particulier werd ten onrechte meegenomen, en het gemiddelde van de overige motoren leidde tot een lagere waarde van € 9.832,-. Appellant kon met een taxatierapport van een bedrijf de waarde van ongeveer € 7.000,- niet aannemelijk maken vanwege onduidelijkheid over de staat van de motor op het relevante moment.
De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover deze de terugvordering betreft en stelt de waarde van de motor vast op € 9.832,-, waardoor de terugvordering wordt verminderd tot € 1.617,-. Tevens wordt het college veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De terugvordering van bijstand wordt verminderd tot € 1.617,- op basis van een lagere vastgestelde waarde van de motor.