Appellant verzocht de Sociale verzekeringsbank (Svb) terug te komen van een korting van 2% op zijn ouderdomspensioen, gebaseerd op schuldige nalatigheid bij het niet betalen van AOW-premies over 1996. De Svb wees dit verzoek af omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren en het oorspronkelijke besluit niet evident onredelijk of onmiskenbaar onjuist was.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat hij niet op de hoogte was van het besluit en dat de belastingaanslag onjuist was vastgesteld. De Raad oordeelde dat het besluit op juiste wijze was bekendgemaakt en dat de betwisting van de aanslag niet tot herziening kan leiden, omdat de Wet financiering volksverzekeringen dit uitsluit.
De Raad hanteerde bij de toetsing het onderscheid tussen feiten vóór en na het eerdere besluit, waarbij alleen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aanleiding kunnen geven tot herziening. Appellant kon de aangevoerde feiten al eerder aanvoeren. Het verzoek werd daarom terecht afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.