ECLI:NL:CRVB:2020:3327
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering toeslag wegens ontbreken dringende redenen
Appellante ontving een toeslag voor eenoudergezin op grond van de Toeslagenwet, die later werd herzien en teruggevorderd door het UWV vanwege gewijzigde leefomstandigheden en onverschuldigde betalingen. Het UWV besloot niet af te zien van terugvordering omdat er geen dringende redenen waren. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar financiële situatie, sociale omstandigheden en psychische problematiek dringende redenen vormden om van terugvordering af te zien. Het UWV handhaafde het standpunt dat geen sprake was van dringende redenen.
De Raad beoordeelde dat het UWV rekening hield met de financiële situatie door een inkomens- en vermogensonderzoek en het terugvorderen voorlopig niet te laten plaatsvinden. Medische stukken en een rapport van een verzekeringsarts wezen niet op een duidelijke verslechtering van de psychische toestand door de terugvordering. Ook de sociale omstandigheden rechtvaardigden geen onaanvaardbare gevolgen.
De Raad concludeerde dat er geen dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het UWV om niet af te zien van terugvordering wegens het ontbreken van dringende redenen.