ECLI:NL:CRVB:2020:3318
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing Wajong-uitkering wegens arbeidsvermogen ondanks gedrags- en cognitieve beperkingen
Appellant, geboren in 1998, vroeg op 2 december 2015 een Wajong-uitkering aan vanwege een gedragsstoornis en diverse cognitieve beperkingen. Het UWV wees de aanvraag af omdat appellant arbeidsvermogen zou hebben. Dit besluit werd door de rechtbank bevestigd. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij niet over basale werknemersvaardigheden beschikt, onderbouwd met een psychologisch rapport dat onder meer een autismespectrumstoornis en depressieve stoornis vermoedde.
De Raad volgde het UWV en de rechtbank in hun oordeel dat appellant wel over werknemersvaardigheden beschikt. Uit medische en arbeidskundige rapporten blijkt dat appellant beperkingen heeft, zoals moeite met structuur, communicatie en impulsiviteit, maar met adequate begeleiding kan hij eenvoudige arbeid verrichten. Het rapport van de psycholoog Langen bevestigt beperkingen maar sluit niet uit dat appellant basale werknemersvaardigheden bezit.
De Raad concludeert dat ondanks de gedrags- en cognitieve beperkingen, appellant arbeidsvermogen heeft en daarom niet als jonggehandicapte kan worden aangemerkt. Het hoger beroep wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de Wajong-uitkering bevestigd wegens voldoende arbeidsvermogen.