ECLI:NL:CRVB:2020:3310
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering ondanks cognitieve beperkingen
Appellante, geboren in 1998, vroeg een Wajong-uitkering aan vanwege cognitieve, sociale en emotionele problemen. Het UWV weigerde deze uitkering omdat zij arbeidsvermogen bezit en kende een banenafspraakindicatie toe. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde.
In hoger beroep stelde appellante dat zij duurzaam niet kan werken, niet langer dan een uur aaneengesloten belastbaar is en geen basale werknemersvaardigheden bezit. Zij verwees naar stageverslagen en medische informatie ter onderbouwing. De Raad volgde het UWV en de rechtbank in hun oordeel dat appellante ten minste vier uur per dag belastbaar is, onder voorwaarden van een prikkelarme omgeving en intensieve begeleiding.
De Raad oordeelde dat de medische en arbeidskundige rapporten voldoende inzicht boden in haar beperkingen en dat de door appellante ingebrachte informatie geen aanleiding gaf tot een ander oordeel. Er was geen reden om een onafhankelijke deskundige te benoemen. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn gehonoreerd, omdat de procedure langer dan vier jaar duurde zonder rechtvaardiging.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en veroordeelde de Staat tot betaling van een schadevergoeding van €500 en proceskosten van €525 aan appellante.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit bevestigd; de Staat wordt veroordeeld tot een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.