Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2020:328

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 februari 2020
Publicatiedatum
18 februari 2020
Zaaknummer
17/4086 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbParticipatiewetZiektewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijstand wegens onvoldoende aannemelijkheid woonadres en financiële situatie

Appellant heeft op 25 januari 2016 bijstand aangevraagd en opgegeven te wonen op een koopwoningadres. Na onderzoek door de afdeling Bijzonder Onderzoek, waaronder huisbezoek en buurtonderzoek, concludeerde het college dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij op het opgegeven adres woonde. Het college wees de aanvraag af en vorderde terugbetaling van voorschotten.

Appellant stelde beroep in tegen deze besluiten, maar de rechtbank oordeelde dat de onderzoeksresultaten voldoende waren om het standpunt van het college te ondersteunen. Er waren weinig persoonlijke spullen aangetroffen, tegenstrijdige verklaringen over sleutels en verblijf, en onvoldoende inzicht in de financiële situatie. De rechtbank handhaafde de terugvordering.

Appellant stelde hoger beroep in, maar kon geen nieuwe aannemelijke verklaringen geven. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit van het college. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen omdat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij op het opgegeven adres woont en zijn financiële situatie onvoldoende inzichtelijk is.

Uitspraak

17.4086 PW

Datum uitspraak: 18 februari 2020
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 mei 2017, 16/8646 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Nadien heeft zich als gemachtigde gesteld mr. A.B.B. Beelaard, advocaat.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft tezamen met de zaak 17/5182 PW plaatsgehad
op 3 december 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Beelaard. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.I.E. Rhuggenaath. In de zaak 17/5182 is heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant heeft op 25 januari 2016 bijstand aangevraagd ingevolge de Participatiewet (PW). Appellant ontving tot 14 februari 2016 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW). Appellant heeft opgegeven te wonen in een koopwoning op het adres [adres 1] (opgegeven adres).
1.2.
Naar aanleiding van onder meer de verklaring van appellant dat hij zijn ex-partner X, heeft geholpen met het verkrijgen van een hypotheek, daarom mede-eigenaar is van de woning aan de [adres 2] maar geen hypotheeklasten betaalt en de constatering dat appellant regelmatig geld overmaakt aan X, heeft een medewerker van de afdeling Bijzonder Onderzoek (medewerker bijzonder onderzoek) een onderzoek ingesteld naar de woon- en inkomenssituatie van appellant. In dat kader heeft de medewerker bijzonder onderzoek onder meer dossieronderzoek verricht, bankafschriften bestudeerd, verbruiksgegevens van het opgegeven adres bij het waterbedrijf opgevraagd en appellant op 8 en 25 april 2016 gehoord. Voorts is op 8 april 2016 een huisbezoek op het opgegeven adres afgelegd en een buurtonderzoek in de omgeving van de woning van X verricht. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport uit april 2016.
1.3.
Het college heeft in de onderzoeksresultaten aanleiding gezien om bij afzonderlijke besluiten van 2 mei 2016 (besluiten 1 en 2) de aanvraag van appellant van 25 januari 2016 af te wijzen en de aan appellant verstrekte voorschotten ter hoogte van € 1.730,- van appellant terug te vorderen.
1.4.
Op 13 mei 2016 heeft appellant opnieuw bijstand ingevolge de PW aangevraagd. Daarbij heeft hij opgegeven dat zijn situatie ten opzichte van de afwijzing van zijn eerdere aanvraag gelijk is gebleven.
1.5.
Bij besluit van 23 mei 2016 (besluit 3) heeft het college de aanvraag van appellant van 13 mei 2016 afgewezen.
1.6.
Bij besluit van 19 september 2016 (bestreden besluit) heeft het college de tegen de besluiten 1, 2 en 3 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf heeft op het opgegeven adres en dat de financiële situatie van appellant onduidelijk is gebleven. Appellant heeft bij zijn aanvraag van 13 mei 2016 geen gewijzigde omstandigheden ten opzichte van het eerdere afwijzende besluit vermeld, zodat de aanvraag op grond van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen wordt.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard voor zover het is gericht tegen de afwijzing van de aanvraag om bijstand van 25 januari 2016. De rechtbank heeft hiertoe, samengevat, overwogen dat de onderzoeksresultaten in onderlinge samenhang bezien voldoende grondslag bieden voor het standpunt van het college dat appellant onvoldoende inlichtingen heeft verschaft over zijn woon- en leefsituatie. Tijdens het huisbezoek is weinig kleding en geen ondergoed van appellant aangetroffen. Ook is nauwelijks proviand en niet een recente administratie aangetroffen. Er lag een kalklaag in bad en appellant had zijn telefoonoplader en paspoort niet in de woning. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat appellant al sinds 2007 staat ingeschreven op het opgegeven adres terwijl er weinig persoonlijke spullen van appellant zijn aangetroffen. Verder is geoordeeld dat appellant tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over de vraag aan wiens woning de sleutels toebehoren die aan zijn sleutelbos hangen. Appellant heeft verklaard dat hij soms zeven, soms vijf en soms twee dagen per week eet in de woning van X en dat hij soms in die woning slaapt. Tijdens de acht waarnemingen in de periode van 18 april 2016 tot en met 24 april 2016 nabij het opgegeven adres is de scooter van appellant nooit waargenomen en ook is niet waargenomen dat er lampen brandden. De door appellant overgelegde verklaringen van de uitbater van een winkel aan de [adres 1] zijn achteraf opgesteld en algemeen van aard waardoor hieraan geen doorslaggevende waarde kan worden toegekend. De rechtbank heeft verder overwogen dat appellant onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn financiële situatie waardoor onduidelijk is gebleven hoe hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien in de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag. De rechtbank heeft de terugvordering van de verleende voorschotten ook in stand gelaten.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard voor zover dit is gericht tegen de afwijzing van de aanvraag om bijstand van 13 mei 2016, het bestreden besluit in zoverre vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand blijven. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat geen sprake is van een te beoordelen periode waarover eerder besluitvorming heeft plaatsgevonden, zodat het college ten onrechte artikel 4:6 van Pro de Awb aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Het is de rechtbank echter niet gebleken dat zich ten opzichte van de vorige aanvraag een relevante wijziging in de omstandigheden van appellant heeft voorgedaan zodat ook de aanvraag van appellant van 13 mei 2016 niet voor inwilliging in aanmerking komt.
3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij het bestreden besluit in stand is gelaten en voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand zijn gelaten. Daartoe heeft appellant, samengevat, aangevoerd dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij woont op het opgegeven adres en dat hij voldoende inzicht heeft verschaft in zijn financiële situatie. In dat verband heeft hij verklaringen gegeven voor door het college geconstateerde onduidelijkheden in zijn woon- en leefsituatie en in zijn financiële situatie.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De te beoordelen periode loopt wat betreft de aanvraag van 25 januari 2016 van 14 februari 2016, de datum waarop de uitkering ingevolge de ZW eindigde, tot en met 2 mei 2016, de datum van het besluit tot afwijzing van de aanvraag.
4.2.
Het gaat hier om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan de bijstandverlenende instantie om, in het kader van de onderzoeksplicht, deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
4.3.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat hij in beroep over de besluitvorming met betrekking tot deze aanvraag heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan en heeft geoordeeld dat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft gegeven over zijn woon- en leefsituatie en zijn financiële situatie waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. Appellant, op wie als aanvrager de bewijslast rust, heeft ook in hoger beroep geen aannemelijke verklaring kunnen geven voor de door de rechtbank geconstateerde onduidelijkheid over zijn woon- en leefsituatie en de onduidelijke financiële situatie, zoals samengevat weergegeven onder 2.
4.4.
Appellant heeft geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de afwijzing van de aanvraag van 13 mei 2016, zodat die verder geen bespreking behoeft. Tegen de terugvordering van de verstrekte voorschotten heeft appellant evenmin zelfstandige beroepsgronden aangevoerd.
4.5.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman als voorzitter en J.L. Boxum en C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van R. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2020.
(getekend) J.T.H. Zimmerman
(getekend) R. Koopman