ECLI:NL:CRVB:2020:3247
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewetuitkering wegens arbeidsgeschiktheid en verzekeringseinde
Appellante was financieel medewerker en meldde zich op diverse momenten ziek met zwangerschapsgerelateerde en andere klachten. Het UWV beëindigde haar Ziektewetuitkering per 21 oktober 2016 omdat zij volgens een verzekeringsarts geschikt werd geacht voor haar maatgevende arbeid. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV ongegrond werd verklaard. Ook na een ziekmelding in september 2017 weigerde het UWV een ZW-uitkering toe te kennen omdat haar verzekering per 27 maart 2017 was geëindigd en zij meer dan vier weken na die datum ziek werd.
De rechtbanken verklaarden de beroepen van appellante tegen beide besluiten ongegrond. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft deze uitspraken. De medische beoordelingen door verzekeringsartsen zijn zorgvuldig, gemotiveerd en consistent. De medische stukken die appellante overlegt, waaronder rapporten van een fysiotherapeut, huisarts en psycholoog, leiden niet tot een andere conclusie over haar arbeidsongeschiktheid in de relevante perioden.
De Raad oordeelt dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat het UWV de belasting van haar werkzaamheden te laag heeft ingeschat of dat haar herstel langer duurde dan aangenomen. Ook is geen reden om een deskundige aan te stellen. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraken bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de ZW-uitkering bevestigd.