ECLI:NL:CRVB:2020:3174
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering na zorgvuldige medische en arbeidskundige beoordeling bevestigd
Appellant, voormalig medewerker van een visbedrijf, ontving sinds 2013 een uitkering en was vanaf 2015 gedeeltelijk arbeidsongeschikt met een WGA-loongerelateerde uitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering in 2018 na een medische en arbeidskundige herbeoordeling, waarbij werd vastgesteld dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Appellant maakte bezwaar en stelde dat zijn klachten en beperkingen ongewijzigd of verergerd waren, maar kon dit niet met medische gegevens onderbouwen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de arbeidskundige beoordeling voldoende was gemotiveerd. In hoger beroep herhaalde appellant zijn stellingen over de ernst van zijn klachten, maar leverde geen nieuwe medische onderbouwing. Het UWV handhaafde het standpunt dat appellant niet volledig arbeidsongeschikt is.
De Centrale Raad van Beroep concludeert dat de medische en arbeidskundige beoordeling zorgvuldig en inzichtelijk is, dat de subjectieve klachtenbeleving van appellant onvoldoende is om beperkingen te verhogen en dat de functionele mogelijkhedenlijst (FML) een juiste basis vormt. Het hoger beroep wordt verworpen en de beëindiging van de WIA-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens onvoldoende medische en arbeidskundige grondslag.