ECLI:NL:CRVB:2020:3171
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering op medische gronden bevestigd
Appellante, werkzaam als inpakster, meldde zich in 2014 ziek en ontving aanvankelijk geen WIA-uitkering omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Later kreeg zij een Ziektewet-uitkering die het UWV per 28 augustus 2017 en 15 maart 2018 beëindigde, omdat zij geschikt werd geacht voor bepaalde functies op basis van medische en arbeidskundige beoordelingen.
Appellante voerde in bezwaar en beroep aan dat haar lichamelijke en psychische klachten, waaronder PTSS, ziekte van Crohn en allergieën, een verdere urenbeperking en ongeschiktheid voor de functies rechtvaardigden. De rechtbank verklaarde haar beroepen ongegrond, stellende dat de medische rapporten en functionele mogelijkhedenlijsten (FML) voldoende rekening hielden met haar beperkingen.
In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren en verzocht zij om een onafhankelijke deskundige. De Centrale Raad oordeelde dat de medische beoordelingen zorgvuldig en overtuigend waren, dat er geen aanwijzingen waren voor een afname van belastbaarheid en dat de functies passend waren. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraken en wees het hoger beroep af.
De Raad vond geen aanleiding voor benoeming van een onafhankelijke deskundige en wees een veroordeling in proceskosten af. De uitspraak werd gedaan door A.T. de Kwaasteniet op 16 december 2020.
Uitkomst: De Ziektewet-uitkering van appellante is terecht beëindigd per 28 augustus 2017 en 15 maart 2018.