ECLI:NL:CRVB:2020:3127
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering na zorgvuldige medische beoordeling bevestigd
Appellant, laatst werkzaam als schoonmaker, meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten. Na een initiële toekenning van een WGA-uitkering werd deze in 2016 beëindigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Na een herseninfarct in 2017 meldde appellant zich toegenomen arbeidsongeschikt, maar het UWV stelde opnieuw vast dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de WIA-uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze beslissing ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat er geen medische onderbouwing was voor extra lichamelijke beperkingen en dat de psychische beperkingen adequaat waren vastgesteld. Ook werd geoordeeld dat appellant benutbare mogelijkheden voor arbeid heeft.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunten, ondersteund door een brief van zijn behandelend psychiater en psycholoog. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze brief geen nieuwe relevante informatie bevatte en dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. Er werd geen aanleiding gezien voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en oordeelde dat appellant terecht minder dan 35% arbeidsongeschikt is verklaard, waardoor de WIA-uitkering terecht is beëindigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De WIA-uitkering van appellant is terecht beëindigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.