ECLI:NL:CRVB:2020:3044
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek herziening intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende nieuwe feiten
Appellant ontving sinds 1984 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. In 2001 werd een strafrechtelijk onderzoek naar uitkeringsfraude ingesteld, waarna de WAO-uitkering werd ingetrokken met ingang van 11 maart 1997, omdat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht en duurzaam arbeid kon verrichten.
Appellant verzocht in 2016 om heropening van de uitkering naar aanleiding van nieuwe medische rapporten en zijn detentieperiode. Het UWV wees dit verzoek af omdat de nieuwe feiten niet zouden leiden tot een ander besluit dan het oorspronkelijke. De rechtbank bevestigde dit oordeel, waarbij de medische beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep als deugdelijk werd beschouwd.
In hoger beroep stelde appellant dat hij door zijn ernstige persoonlijkheidsstoornis nooit duurzaam arbeid had kunnen verrichten en dat het oorspronkelijke besluit onjuist was. De Raad oordeelde echter dat de medische feiten en het werkverleden van appellant aantonen dat hij vanaf 1997 tot medio 2001 substantieel arbeid heeft verricht en minder dan 15% arbeidsongeschikt was.
De Raad concludeert dat het verzoek om terug te komen van het oorspronkelijke besluit niet slaagt, omdat de nieuwe feiten geen aanleiding geven tot herziening. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking van de WAO-uitkering blijft gehandhaafd.