ECLI:NL:CRVB:2020:2970
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen herziening en terugvordering studiefinanciering wegens woonsituatie
Betrokkene stond ingeschreven in de basisregistratie personen (brp) op een adres waar hij studiefinanciering ontving als uitwonende student. De minister liet een huisbezoek uitvoeren om de woonsituatie te controleren. Op basis van het huisbezoek werd geconcludeerd dat betrokkene niet op het brp-adres woonde, waarna de studiefinanciering werd herzien en teruggevorderd.
De rechtbank had het beroep van betrokkene gegrond verklaard omdat zij vond dat de minister niet voldoende aannemelijk had gemaakt dat betrokkene niet op het adres woonde. De bevindingen van het huisbezoek boden volgens de rechtbank onvoldoende feitelijke grondslag.
De Raad stelt echter dat de minister met het huisbezoek en de bevindingen wel degelijk aan de bewijslast heeft voldaan. Er werden geen persoonlijke spullen van betrokkene aangetroffen, terwijl wel sportspullen van de zoon van de hoofdbewoonster aanwezig waren. Dit wijst erop dat betrokkene niet zijn hoofdverblijf op het brp-adres had.
De Raad vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene tegen het besluit tot herziening en terugvordering studiefinanciering wordt ongegrond verklaard.