ECLI:NL:CRVB:2020:2939
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot regularisatie sociale zekerheidsbijdragen wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
De zaak betreft een beroep van appellant tegen een besluit van de Sociale verzekeringsbank (Svb) waarin werd geweigerd mee te werken aan een regularisatieovereenkomst voor de periode van 1 mei 2011 tot en met 31 december 2012. Eerder had de Raad bij uitspraak van 22 november 2018 de Svb opgedragen een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
De Svb heeft conform deze opdracht onderzoek gedaan naar bijzondere omstandigheden die regularisatie zouden kunnen rechtvaardigen. Appellant stelde onder meer dat er een nettoloonafspraak met zijn werkgever bestond en dat de Svb niet zelfstandig bevoegd was om te beslissen. De Raad overwoog dat de bevoegdheid van de Svb niet ter discussie stond binnen de beperkte vraagstelling en dat de nettoloonafspraak geen bijzondere omstandigheid vormde.
De Raad benadrukte dat appellant zich bewust had kunnen zijn van zijn onderwerping aan de Nederlandse socialezekerheidswetgeving en dat eventuele loonafspraken een civiele kwestie zijn die in de risicosfeer van appellant liggen. De afwijzing van het verzoek tot regularisatie is daarom terecht gehandhaafd en het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot regularisatie is ongegrond verklaard.