ECLI:NL:CRVB:2020:2921
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vergoeding proceskosten en immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn in sociale zekerheidszaak
In deze zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake een besluit van het UWV. Het UWV heeft vervolgens op 30 december 2019 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, waarmee het geheel tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellant. Hierdoor heeft appellant het hoger beroep ingetrokken en verzocht om vergoeding van proceskosten, wettelijke rente en schade.
De Raad heeft het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en het verzoek tot vergoeding van proceskosten en schade beoordeeld. De Raad oordeelde dat er geen vergoeding van kosten in bezwaar toekomt, aangezien appellant destijds zelf bezwaar maakte zonder gemachtigde. Wel is het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep, begroot op €525,-.
Daarnaast is het UWV veroordeeld tot betaling van wettelijke rente over de achterstallige bedragen. Ten aanzien van de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft de Raad vastgesteld dat de totale procedure ruim vijf jaar heeft geduurd, terwijl de redelijke termijn voor een drie-instanties-procedure in soortgelijke zaken maximaal vier jaar bedraagt. De overschrijding wordt volledig toegerekend aan het UWV, dat daardoor is veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van €1.500,-.
Tot slot is het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant voor het verzoek om schadevergoeding, begroot op €262,50. Het betaalde griffierecht kan appellant rechtstreeks bij het UWV verhalen.
Uitkomst: Het UWV is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten, wettelijke rente en immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.