ECLI:NL:CRVB:2020:2913
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling duurzaamheid arbeidsongeschiktheid bij niertransplantatie voor WIA-uitkering
Betrokkene, voormalig commercieel medewerkster, meldde zich in 2011 ziek vanwege nierproblemen. Het UWV kende haar vanaf 2013 een loongerelateerde WGA-uitkering toe, die later werd aangepast en ingetrokken vanwege veranderde arbeidsongeschiktheid. Per 28 juni 2016 meldde betrokkene toegenomen arbeidsongeschiktheid en kreeg zij opnieuw een WGA-uitkering toegekend, later omgezet in een loonaanvullingsuitkering na bezwaar van de werkgever.
De kern van het geschil betrof de vraag of de volledige arbeidsongeschiktheid per 28 juni 2016 duurzaam was in de zin van artikel 4 van Pro de Wet WIA, wat recht zou geven op een IVA-uitkering. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat er geen sprake was van duurzaamheid, mede omdat verbetering van de belastbaarheid door een naderende niertransplantatie werd verwacht. De rechtbank onderschreef deze beoordeling.
Appellante voerde aan dat vanwege de terminale nierinsufficiëntie, wachttijd, en bijkomende klachten zoals vermoeidheid, de arbeidsongeschiktheid wel duurzaam was. De Raad oordeelde echter dat de verzekeringsarts terecht rekening hield met de medische situatie en het vooruitzicht op transplantatie, waarbij verbetering van de belastbaarheid niet uitgesloten was. Latere verslechteringen na de transplantatie konden niet worden meegewogen bij de beoordeling op de datum in geding.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en handhaafde het besluit dat betrokkene op 28 juni 2016 niet in aanmerking kwam voor een IVA-uitkering. Een latere toekenning van een IVA-uitkering per 16 juli 2020 deed hieraan niet af. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 24 november 2020.
Uitkomst: Betrokkene kwam per 28 juni 2016 niet in aanmerking voor een IVA-uitkering wegens het ontbreken van duurzame arbeidsongeschiktheid.