Appellant was geplaatst in een functie bij de politie, waartegen bezwaar en beroep werden ingesteld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar had niet geoordeeld over het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de rechtbank dit had moeten doen en beoordeelt het verzoek zelf. De Raad stelt vast dat de totale duur van bezwaar- en beroepsprocedure bijna twee jaar en tien maanden bedroeg, wat de redelijke termijn overschrijdt. Er waren geen bijzondere omstandigheden die deze overschrijding rechtvaardigden.
De Raad kent daarom een immateriële schadevergoeding toe van €1.000,-, waarvan €400,- voor rekening van de korpschef en €600,- voor de Staat. Tevens worden proceskosten en griffierecht aan appellant toegekend. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd voor zover het verzoek om schadevergoeding niet was behandeld.