ECLI:NL:CRVB:2020:290
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling te vroege aanvraag AOW-pensioen en zorgvuldigheid bij besluitvorming
Appellante, geboren in 1951 en woonachtig in Marokko, diende een aanvraag in voor AOW-pensioen die door de Sociale Verzekeringsbank (Svb) werd afgewezen omdat deze te vroeg was ingediend, meer dan een half jaar voor de pensioengerechtigde leeftijd van 1 april 2017.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat de Svb terecht het verzoek afwees en dat het latere besluit van 5 april 2017 geen wijzigingsbesluit was. In hoger beroep stelde appellante dat de Svb bij het bestreden besluit een volledige heroverweging had moeten maken, aangezien de pensioengerechtigde leeftijd binnen een half jaar lag.
De Raad oordeelde dat het niet beslissen over de toekenning per 1 april 2017 in strijd was met de vereiste zorgvuldigheid en dat het besluit van 5 april 2017 als wijzigingsbesluit moest worden aangemerkt. Tevens werd geoordeeld dat appellante geen recht had op een gerechtvaardigde verwachting op basis van een pensioenoverzicht uit 2008 en dat de verschuiving van de AOW-leeftijd geen onevenredig zware last vormde.
De Raad vernietigde de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit voor zover niet over de toekenning per 1 april 2017 was beslist, verklaarde het beroep gegrond, en veroordeelde de Svb in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen het bestreden besluit wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd voor zover niet over de toekenning van het AOW-pensioen per 1 april 2017 is beslist.