Uitspraak
19.5302 AW
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, werkzaam bij de politie, maakte gebruik van de Regeling Partieel Uittreden (RPU) waarbij zijn arbeidstijd werd verminderd met behoud van pensioenopbouw zoals vermeld in het toekenningsbesluit. Na een wijziging van de pensioenrichtleeftijd en een nieuw standpunt van de Belastingdienst werd de pensioenopbouw met terugwerkende kracht verminderd, wat leidde tot bezwaar van betrokkene.
De rechtbank oordeelde dat de korpschef het vertrouwensbeginsel had geschonden door de toezegging in het toekenningsbesluit dat pensioenopbouw gelijk zou blijven, en vernietigde het besluit. De korpschef stelde in hoger beroep dat het ging om een informatieve mededeling en dat het algemeen belang zwaarder woog.
De Raad stelde vast dat de vermindering van pensioenopbouw het gevolg was van gewijzigde regelgeving en fiscale interpretatie. Hoewel sprake was van een aan de korpschef toe te rekenen toezegging, mocht het algemeen belang prevaleren boven het belang van betrokkene. De korpschef had de deelnemers tijdig geïnformeerd en de mogelijkheid geboden de RPU tijdelijk stop te zetten.
De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de korpschef wordt gegrond verklaard en het beroep van betrokkene ongegrond verklaard.