ECLI:NL:CRVB:2020:2840
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing WAO-uitkering wegens ontbreken beroepsgronden
Appellant heeft sinds 1988 een arbeidsongeschiktheid aangevoerd en meerdere keren verzocht om een WAO-uitkering, welke steeds is geweigerd. Na een besluit van het UWV in december 2017 om niet terug te komen op de eerdere afwijzing, maakte appellant bezwaar. Dit bezwaar werd door het UWV niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant geen gronden had ingediend.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit eveneens niet-ontvankelijk omdat het beroepschrift geen gronden bevatte. Appellant kreeg de kans om binnen vier weken alsnog gronden in te dienen, maar deed dit te laat. De rechtbank oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat de termijnoverschrijding hem niet kon worden verweten.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze beslissing. De Raad stelt vast dat het beroepschrift niet voldeed aan de eisen van artikel 6:5 Awb Pro en dat de hersteltermijn van vier weken niet tijdig is benut. Er is geen reden om de termijnoverschrijding te verontschuldigen. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van tijdig ingediende beroepsgronden.