ECLI:NL:CRVB:2020:2797
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering bijstand wegens toepassing kostendelersnorm na beëindiging studie inwonende zoon
Appellant ontving bijstand op basis van de Participatiewet en woonde met zijn gezin op hetzelfde adres. Bij de invoering van de kostendelersnorm werd aanvankelijk geen rekening gehouden met de zoon omdat deze studeerde. Later bleek dat de zoon vanaf maart 2015 niet meer studeerde en inkomsten had, wat niet was gemeld.
Het college wijzigde de bijstand met terugwerkende kracht en vorderde een bedrag van €6.255,67 terug wegens schending van de inlichtingenplicht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat het niet relevant is of de kosten feitelijk gedeeld worden, maar dat het gaat om het kunnen delen van kosten. De kostendelersnorm is dwingendrechtelijk en biedt geen ruimte voor afwijking op grond van redelijkheid en billijkheid. Ook het beroep op dringende redenen om terugvordering te voorkomen faalde, omdat appellant onvoldoende aannemelijk maakte dat de financiële gevolgen onaanvaardbaar zijn.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand wegens niet melden dat de inwonende zoon niet meer studeerde.