ECLI:NL:CRVB:2020:2618
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW-uitkering wegens geschiktheid voor eigen werk bevestigd
Appellant was werkzaam als algemeen medewerker en meldde zich met terugwerkende kracht ziek per 3 januari 2010. Het UWV stelde op basis van verzekeringsartsrapporten vast dat appellant per 3 januari 2010 en per 3 augustus 2010 geschikt was voor zijn eigen werk, waardoor recht op ziekengeld werd ontzegd. Appellant maakte bezwaar en beroep, waarbij hij medische informatie aanvoerde over zijn cardiale problemen en medicatie.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV zorgvuldig had gehandeld en de medische beoordeling voldoende was gemotiveerd. Het verzoek om een onafhankelijke deskundige werd afgewezen omdat appellant voldoende gelegenheid had gehad medische informatie in te brengen.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad oordeelde dat het UWV zorgvuldig had gehandeld, dat het beginsel van equality of arms niet was geschonden en dat appellant onvoldoende had aangetoond dat hij op de datum in geding arbeidsongeschikt was. Medische verklaringen van latere datum werden als onvoldoende betrouwbaar beoordeeld. Het verzoek tot vergoeding van wettelijke rente werd afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de ZW-uitkering en wijst het hoger beroep af.