ECLI:NL:CRVB:2020:2564
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellant, die sinds 2010 arbeidsongeschikt is door rugklachten en andere gezondheidsproblemen, vordert in hoger beroep toekenning van een WIA-uitkering met ingang van 31 januari 2016 en 8 mei 2017. Het UWV had deze uitkeringen geweigerd omdat er geen toegenomen beperkingen waren binnen vijf jaar na 29 mei 2015 en de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg.
De Raad heeft het oordeel van het UWV bevestigd dat de functionele mogelijkhedenlijst (FML) en de belastbaarheid van appellant juist zijn vastgesteld. Verzekeringsartsen hebben de medische situatie zorgvuldig beoordeeld, waarbij onder meer rugklachten, ademhalingsproblemen en psychische klachten zijn meegewogen. De door appellant ingebrachte medische gegevens, waaronder ResScan-uitdraaiingen, boden onvoldoende grond voor een andere beoordeling.
De rechtbanken hebben de besluiten van het UWV eveneens bevestigd en geen aanleiding gezien om de belastbaarheid van appellant onjuist te achten. De Raad oordeelt dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat appellant geen recht heeft op WIA-uitkering per genoemde data en dat de voorbeeldfuncties medisch geschikt zijn.
De hoger beroepen van appellant worden verworpen, de aangevallen uitspraken bevestigd en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op WIA-uitkering per 31 januari 2016 en 8 mei 2017 vanwege onvoldoende toegenomen beperkingen en een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.