ECLI:NL:CRVB:2020:2563
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Wajong-uitkering na herhaalde aanvraag op grond van AAW-criteria
Appellante diende op 21 september 2015 een laattijdige aanvraag in voor een Wajong-uitkering, die door het UWV werd afgewezen op basis van de Wajong 2015-criteria. Op 25 november 2016 volgde een herhaalde aanvraag, die het UWV beoordeelde volgens de criteria van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), omdat appellante voor 1 januari 1980 was geboren. Deze aanvraag werd eveneens afgewezen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, waarbij werd overwogen dat de medische rapporten betrouwbaar waren en dat appellante geen nieuwe medische stukken had ingediend die het oordeel van het UWV konden weerleggen. De bewijslast bij laattijdige aanvragen ligt bij de aanvrager, en het UWV kan niet worden verweten dat gegevens over functies uit het verleden moeilijk te achterhalen zijn.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, waaronder dat haar psychische klachten onvoldoende waren meegewogen en dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan naar de beschikbaarheid van gelijksoortige functies in 1990-1991. De Raad concludeerde dat de rechtbank deze gronden terecht had verworpen en onderschreef de overwegingen over de bewijslast.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de aangevallen uitspraak en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de Wajong-uitkering en wijst het hoger beroep af.