ECLI:NL:CRVB:2020:2559
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na zorgvuldige toetsing bevestigd in hoger beroep
Appellant was werkzaam als baliemedewerker en meldde zich op 30 maart 2015 ziek met lichamelijke en psychische klachten. Na een eerstejaars beoordeling werd zijn recht op ziekengeld voortgezet, maar bij een toetsing in het tweede ziektejaar oordeelde het Uwv dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen, waarna de uitkering werd beëindigd.
Appellant maakte bezwaar en beroep, waarbij aanvullend medisch onderzoek en een aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst werden gebruikt. De arbeidsdeskundige concludeerde dat appellant nog steeds meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen. De rechtbank vernietigde het besluit vanwege een aangepaste beperking, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat de functies medisch geschikt bleken.
In hoger beroep stelde appellant dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat er sprake was van schending van het equality of arms-beginsel, mede door zijn financiële situatie en de vermeende monopolypositie van de verzekeringsarts. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, dat de medische stukken van appellant door de verzekeringsartsen waren betrokken en dat er geen schending was van het equality of arms-beginsel.
De Raad vond geen aanleiding om het medisch oordeel te herzien, ook niet op grond van nieuwe medische stukken of de ontheffing van arbeidsverplichtingen in het kader van de Participatiewet. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep van appellant werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het Uwv de Ziektewetuitkering terecht heeft beëindigd na een zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek.