ECLI:NL:CRVB:2020:2530
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijzondere bijstand voor terugvordering huurtoeslag wegens ontbreken zeer dringende redenen
Appellant en zijn voormalige echtgenote ontvingen tot oktober 2016 bijstand op basis van de norm voor gehuwden. Na hun scheiding ontving appellant bijstand als alleenstaande. De Belastingdienst vorderde in 2017 een bedrag van €833,- terug aan huurtoeslag over 2016. Appellant vroeg bijzondere bijstand aan voor deze schuld, maar het college wees dit af op grond van artikel 13 lid 1 onder Pro g van de Participatiewet, omdat hij bij het ontstaan van de schuld over middelen beschikte om in de noodzakelijke kosten te voorzien.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep. Hij stelde dat er sprake was van zeer dringende redenen, omdat hij door een lening van €2.000,- niet in staat was de terugvordering te voldoen en daardoor in een acute noodsituatie verkeerde. De Raad oordeelde echter dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zijn bestaansvoorziening werd bedreigd. De leningsovereenkomst bevatte geen aflossingsverplichting en de schuld aan de Belastingdienst was gezamenlijk met zijn voormalige echtgenote, die voor de helft aansprakelijk is.
De Raad concludeerde dat artikel 13 lid 1 onder Pro g van de Participatiewet de verlening van bijzondere bijstand in de weg staat en dat geen zeer dringende redenen bestonden zoals bedoeld in artikel 49 lid 1 onder Pro b. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Rotterdam werd bevestigd. De procedurekosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor de terugvordering van huurtoeslag wordt bevestigd wegens ontbreken van zeer dringende redenen.