ECLI:NL:CRVB:2020:2519
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek kwijtschelding restantvordering BBZ-lening wegens ontbreken dringende redenen
Appellante ontving in 2010 een renteloze geldlening op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) voor levensonderhoud. Het college van burgemeester en wethouders van Almere stelde in 2011 het recht op bijstand definitief vast en vorderde de lening terug. In 2017 verzocht appellante om kwijtschelding van het resterende bedrag van ruim €4.900, maar dit verzoek werd afgewezen wegens het ontbreken van dringende redenen.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat het ontbreken van beleid omtrent kwijtschelding en haar persoonlijke omstandigheden tot kwijtschelding zouden moeten leiden. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het ontbreken van beleid geen gebrek aan juridisch toetsingskader betekent en dat het college het verzoek terecht beoordeelde aan de hand van het criterium van dringende redenen en bijzondere omstandigheden.
De Raad benadrukte dat dringende redenen alleen aanwezig zijn bij onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen die uitzonderlijk en bijzonder zijn. Schulden en persoonlijke omstandigheden zoals uitzichtloosheid, slechte werkgelegenheid en leeftijd zijn onvoldoende zonder nadere onderbouwing. Appellante heeft sinds 2017 niet afgelost wegens gebrek aan aflossingscapaciteit, maar dit leidt niet tot kwijtschelding. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek tot kwijtschelding van de restantvordering van de BBZ-lening wordt afgewezen wegens ontbreken van dringende redenen of bijzondere omstandigheden.