ECLI:NL:CRVB:2020:2506
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging Wajong-uitkering wegens arbeidsvermogen
Appellante ontvangt sinds 1990 een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet. Met de invoering van de Wajong 2015 heeft het UWV haar arbeidsvermogen beoordeeld en vastgesteld dat zij arbeidsvermogen heeft, waardoor haar uitkering per 1 januari 2018 werd verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon.
Appellante maakte bezwaar en beroep tegen deze verlaging, stellende dat zij geen arbeidsvermogen heeft vanwege ernstige psychische klachten, PTSS, slaapapneu en beperkingen in het zicht. Zij voerde aan dat het onderzoek niet zorgvuldig was en dat haar activiteitenpatroon onvoldoende was meegewogen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV zorgvuldig onderzoek had verricht. De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige concludeerden dat appellante in staat is om minstens vier uur per dag aangepaste arbeid te verrichten en een uur aaneengesloten te werken, en dat zij over basale werknemersvaardigheden beschikt.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze beoordeling. De Raad vond geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. De activiteiten in het dagelijks leven van appellante, zoals het verzorgen van haar huishouden, boodschappen doen, tuinieren en zorgen voor katten, ondersteunen het oordeel dat zij arbeidsvermogen heeft.
De Raad concludeert dat de verlaging van de Wajong-uitkering naar 70% van het minimumloon terecht is en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De verlaging van de Wajong-uitkering naar 70% van het minimumloon is terecht bevestigd.