ECLI:NL:CRVB:2020:249
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van inhouding bestuursrechtelijke premie ondanks beroep op bestaansminimum
Appellant is door het CAK aangemeld als wanbetaler en is een bestuursrechtelijke premie verschuldigd die maandelijks wordt ingehouden op zijn uitkering. Hij maakte bezwaar tegen deze inhouding en de hoogte van de premie, stellende dat hierdoor minder dan het bestaansminimum overblijft en dat hij dubbel betaalt voor het eigen risico.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. Volgens vaste rechtspraak hoeft het CAK bij de uitvoering van de broninhouding geen rekening te houden met het bestaansminimum, maar slechts met de vraag of het inkomen toereikend is om de premie in te houden.
De Raad concludeert dat de bezwaren van appellant niet leiden tot een ander oordeel en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de inhouding van de bestuursrechtelijke premie blijft gehandhaafd.