ECLI:NL:CRVB:2020:2412
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van weigering WIA- en ZW-uitkeringen na medische en arbeidskundige toetsing
Appellant was langdurig arbeidsongeschikt en ontving verschillende uitkeringen, waaronder Ziektewet (ZW) en Werkloosheidswet (WW). Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) beëindigde de ZW-uitkering per 19 juni 2016 na een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten en stelde dat zijn beperkingen onvoldoende waren erkend, onder meer vanwege rug-, knie- en elleboogklachten en psychische belasting.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het Uwv de medische belastbaarheid op 20 juni 2016 voldoende had gemotiveerd en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) juist waren vastgesteld. Ook werd geoordeeld dat de klachten van appellant na deze datum, zoals een verslechtering van de knie, niet relevant waren voor de beoordeling van de datum in geschil. Het verzoek om een onafhankelijke deskundige werd afgewezen wegens gebrek aan aanleiding.
Verder werd vastgesteld dat het Uwv terecht de ZW-uitkering per 26 augustus 2016 weigerde omdat er geen sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid. De Raad vernietigde het besluit van 7 november 2016 dat het bezwaar ongegrond verklaarde, verklaarde het beroep tegen dat besluit gegrond en bevestigde de overige besluiten. Het Uwv werd veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de WIA-uitkering per 20 juni 2016 wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd; de overige beroepen worden ongegrond verklaard.