Uitspraak
18.4105 WSF
26 augustus 2020. Aan de zitting hebben deelgenomen appellante, bijgestaan door mr. Stout, en de minister, vertegenwoordigd door mr. G.J.M. Naber.
OVERWEGINGEN
2014-2015 stond zij ingeschreven voor de opleiding psychologie en vanaf het studiejaar
2015-2016 stond zij ingeschreven voor de opleiding pedagogische wetenschappen.
(Wsf 2000) gestelde voorwaarden voor verlenging van de diplomatermijn. De minister heeft op basis van het advies van zijn medisch adviseur aangenomen dat appellante in de periode september 2006 tot en met maart 2010 als gevolg van medische omstandigheden van tijdelijke aard niet in staat was een opleiding te volgen. Maar dit stond niet in de weg aan een afronding van een (vierjarige) opleiding binnen de diplomatermijn omdat daarvoor op dat moment voldoende tijd resteerde (ruim zes jaar). Het niet behalen van het afsluitend examen binnen de diplomatermijn is dan ook niet het directe gevolg van de bijzondere omstandigheden van tijdelijke aard. Verder heeft de minister te kennen gegeven dat daargelaten of dyslexie als een bijzondere omstandigheid van structurele aard in de zin van artikel 5.16, tweede lid, van de Wsf 2000 kan worden aangemerkt, duidelijk is dat rekening houdende met de in de overgelegde dyslexieverklaring genoemde compensaties en dispensaties, het mogelijk is om een opleiding te volgen en succesvol af te ronden. Appellantes stelling dat zij pas in september 2013 opnieuw kon starten met een opleiding omdat zij in de periode april 2010 tot maart 2013 heeft moeten sparen voor de kosten van het kunnen verkrijgen van een dyslexieverklaring, wordt niet geloofwaardig geacht. Dit gelet op de duur van de periode (drie jaar), het feit dat appellante in die periode gewerkt heeft en de hoogte van het benodigde bedrag van € 605,-. Bovendien heeft appellante geen enkel bewijs geleverd voor haar stelling dat zij eerst na drie jaar in staat was een dergelijk bedrag te betalen. Daarom is volgens de minister (ook) de dyslexie van appellante niet de directe reden geweest dat appellante niet binnen de diplomatermijn een afsluitend examen heeft behaald. De directe reden is de keuze van appellante om eerst in maart 2013 een dyslexieverklaring te laten opstellen en eerst in september 2013 opnieuw te starten met een opleiding.
13 maart 2013 opgestelde dyslexieverklaring. In de primaire fase heeft de decaan desgevraagd aan de minister te kennen gegeven dat appellante van september 2007 tot september 2013 door psychische klachten niet in staat is geweest te studeren. In bezwaar heeft appellante desgevraagd het aan de dyslexieverklaring ten grondslag liggende onderzoeksverslag overgelegd.