ECLI:NL:CRVB:2020:2383
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na eerstejaars beoordeling wegens geschiktheid voor passende arbeid
Appellant, werkzaam als schoonmaker, meldde zich in 2014 ziek en ontving een Ziektewetuitkering. Na een eerstejaars ZW-beoordeling oordeelde het UWV dat appellant meer dan 65% van zijn oude loon kon verdienen met passend werk, waaronder de functie van machinebediende inpak- en verpakkingsmachine, waarop de uitkering werd beëindigd.
Appellant voerde bezwaar aan en startte beroep tegen het besluit, stellende dat hij door onder meer Carpaal Tunnel Syndroom en andere klachten de functie niet kon verrichten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd had dat appellant geschikt was voor de functie.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. Er waren geen nieuwe medische gegevens die twijfel konden zaaien over de geschiktheid van appellant. De Raad oordeelde dat het UWV terecht de ZW-uitkering beëindigde en bevestigde de eerdere uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geschikt is voor passende arbeid en de ZW-uitkering terecht is beëindigd.