ECLI:NL:CRVB:2020:2346
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging oordeel UWV over functionele mogelijkheden en geschiktheid voor werk na WIA-aanvraag
Appellante, werkzaam als financieel administratief medewerker, meldde zich ziek na een auto-ongeval met klachten aan haar rechterarm. Na aanvraag van een WIA-uitkering stelde het UWV dat zij met beperkingen belastbaar was en geschikt voor bepaalde functies, wat leidde tot afwijzing van haar uitkeringsaanvraag.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat zij onvoldoende medische onderbouwing leverde voor volledige arbeidsongeschiktheid van haar rechterarm. Ook oordeelde de rechtbank dat het UWV terecht geen reductiefactor toepaste op de urenomvang van de geselecteerde functies en dat het CBBS-systeem niet in strijd is met beginselen van hoor en wederhoor.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de medische rapporten onvoldoende gemotiveerd en inzichtelijk waren en dat het UWV niet op haar bezwaren tegen de urenomvang was ingegaan. De Raad volgde echter de rechtbank en het UWV, benadrukkend dat de verzekeringsarts een vertaling maakt van klachten naar beperkingen in de FML en dat appellante onvoldoende medische stukken overlegd om de juistheid daarvan te betwisten.
De Raad bevestigde dat de geselecteerde functies passend zijn en dat het beleid rond urenomvang conform de Beleidsregel uurloonschatting 2008 niet in strijd is met het Schattingsbesluit. Ook is het CBBS-systeem voldoende controleerbaar voor betrokkenen. Gezien het ontbreken van twijfel aan de medische beoordeling werd geen deskundige benoemd. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het UWV-besluit tot afwijzing van de WIA-uitkering bevestigd.