ECLI:NL:CRVB:2020:2341
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging zorgvuldig medisch onderzoek UWV bij geschiktheid voor EZWb-functies
Appellante, laatst werkzaam als horecamedewerkster, werd door het UWV na beëindiging van een eerdere uitkering beoordeeld in het kader van de eerstejaars Ziektewet-beoordeling (EZWb). Het UWV stelde vast dat zij geen recht meer had op ziekengeld omdat zij meer dan 65% van haar oude loon kon verdienen met andere geselecteerde functies. Appellante werd geschikt geacht voor functies zoals productiemedewerker industrie en administratief medewerker.
Na een nieuwe ziekmelding in september 2017 vond een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaats waarbij de primaire verzekeringsarts appellante geschikt achtte voor de EZWb-functies. Het UWV verklaarde het bezwaar van appellante tegen dit besluit ongegrond. De rechtbank Rotterdam volgde dit oordeel en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de klachten van appellante voldoende had meegewogen.
In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren over de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek en bracht zij aanvullende medische informatie in. De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en het UWV. De Raad stelde vast dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep alle relevante medische informatie had betrokken, inclusief de nieuwe stukken, en dat deze geen aanleiding gaven het oordeel te wijzigen.
De Raad concludeerde dat het medisch oordeel zorgvuldig en goed gemotiveerd was en bevestigde het besluit dat appellante geschikt is voor de geselecteerde EZWb-functies. Er werd geen aanleiding gezien om het hoger beroep toe te wijzen en de proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het UWV-besluit wordt bevestigd dat appellante geschikt is voor de EZWb-functies.