ECLI:NL:CRVB:2020:2322
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens weigering huisbezoek zonder redelijke grond niet gerechtvaardigd
Appellante ontving sinds 2013 bijstand en werd geconfronteerd met een onderzoek naar haar rechtmatigheid van bijstand vanwege meldingen over haar woon- en leefsituatie en vermeende inkomsten uit een hondenkennel. Na een weigering om medewerking te verlenen aan een huisbezoek op 10 augustus 2017 trok het college haar bijstand in. Appellante deed vervolgens een nieuwe aanvraag die werd afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van bijstandbehoevende omstandigheden.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat het huisbezoek niet op redelijke gronden was gebaseerd en dat zij wel degelijk in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. De Raad oordeelde dat er geen concrete objectieve feiten waren die een redelijke grond voor het huisbezoek vormden, met name omdat de melding over de woon- en leefsituatie onvoldoende was en het vermoeden van inkomsten uit de kennel niet op het uitkeringsadres kon worden vastgesteld.
De Raad benadrukte dat het college onvoldoende onderzoek had verricht naar de kennel via minder belastende middelen zoals internetonderzoek voordat het huisbezoek werd gepland. Hierdoor ontbrak het aan een redelijke grond voor het huisbezoek en kon appellante niet worden verweten dat zij medewerking weigerde. Het besluit tot intrekking van de bijstand was daarom niet deugdelijk gemotiveerd en moest worden hersteld. De Raad liet de inhoudelijke beoordeling van de aanvraag om bijstand vooralsnog buiten beschouwing.
Uitkomst: Het college moet het besluit tot intrekking van de bijstand herstellen omdat het huisbezoek niet op redelijke gronden was gebaseerd.