ECLI:NL:CRVB:2020:2317
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijzondere bijstand voor orthodontiekosten dochter wegens voorliggende voorziening en ontbreken acute nood
Appellante diende een aanvraag in voor bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet voor orthodontiekosten van haar dochter. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees deze aanvraag af, stellende dat de Zorgverzekeringswet en aanvullende verzekering als voorliggende voorzieningen gelden, ook als kosten niet volledig worden vergoed.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en in hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad overwoog dat artikel 15 van Pro de Participatiewet bepaalt dat geen recht op bijstand bestaat indien een toereikende en passende voorliggende voorziening aanwezig is. De Zorgverzekeringswet wordt als zodanig beschouwd, ongeacht gedeeltelijke vergoeding.
Verder stelde appellante dat er dringende redenen waren voor bijstand, maar de Raad vond geen acute noodsituatie zoals vereist in artikel 16 van Pro de Participatiewet. De stelling dat uitstel van behandeling blijvend letsel zou veroorzaken, werd niet onderbouwd. De Raad concludeerde dat de afwijzing terecht was en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De afwijzing van de bijzondere bijstand voor orthodontiekosten wordt bevestigd wegens aanwezigheid van een voorliggende voorziening en ontbreken van een acute noodsituatie.