ECLI:NL:CRVB:2020:2270
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens te lang verblijf buitenland en niet gemelde stortingen
In deze zaak gaat het om de herziening, intrekking en terugvordering van bijstand aan appellant wegens te lang verblijf in het buitenland en het niet melden van stortingen op zijn bankrekening. Appellant verbleef in drie perioden langer dan toegestaan in het buitenland, waardoor hij is uitgesloten van het recht op bijstand over die perioden. Daarnaast zijn stortingen van in totaal €2.990,- niet gemeld en als inkomen aangemerkt.
Appellant erkent het te lange verblijf in het buitenland maar beroept zich op zeer dringende redenen zoals bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Participatiewet om toch bijstand te ontvangen. De Raad oordeelt dat appellant deze dringende redenen niet aannemelijk heeft gemaakt, mede omdat hij zijn medische noodsituatie niet concreet heeft onderbouwd.
Wat betreft de stortingen stelt appellant dat sommige bedragen giften of leningen zijn, maar ook deze stellingen zijn onvoldoende onderbouwd met concrete en verifieerbare gegevens. De Raad volgt vaste rechtspraak dat dergelijke stortingen als inkomen worden beschouwd tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat het geen middelen zijn.
De Raad bevestigt daarom de aangevallen uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland en wijst het beroep van appellant af. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd wegens te lang verblijf in het buitenland en niet gemelde stortingen zonder aannemelijke zeer dringende redenen.