Appellanten ontvingen bijstand waarbij de kostendelersnorm werd toegepast op basis van het aantal medebewoners. Na melding dat twee zonen waren verhuisd, werd een onderzoek ingesteld waarbij een derde zoon, C, werd aangetroffen als medebewoner. Het college paste de kostendelersnorm aan op basis van deze bevinding.
Appellanten betwistten dat C zijn hoofdverblijf had op het adres, stellende dat hij slechts tijdelijk verbleef en zijn gezin elders woonde. Het college voerde onvoldoende aanvullend onderzoek uit om het hoofdverblijf van C vast te stellen. De Raad oordeelde dat het college niet aannemelijk had gemaakt dat het zwaartepunt van het persoonlijk leven van C op het adres lag.
Hierdoor werd het besluit tot toepassing van de kostendelersnorm niet deugdelijk gemotiveerd bevonden en vernietigd. Ook het latere besluit tot herziening van de bijstand op grond van een melding dat geen kinderen meer op het adres woonden, werd vernietigd. De Raad veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.