ECLI:NL:CRVB:2020:2208
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening voortzetting ZW-uitkering wegens gebrek aan spoedeisend belang
Verzoeker, voormalig medewerker bouw bij een eigenrisicodrager werkgever, viel uit op 27 november 2017 en ontving een ZW-uitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 4 mei 2018, wat door verzoeker werd aangevochten. De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV wegens strijd met artikel 10:3 Awb Pro en rechtszekerheid.
Verzoeker vroeg vervolgens om een voorlopige voorziening om de ZW-uitkering voort te zetten in afwachting van de bodemprocedure, waarbij het verzoek werd ingediend door zijn advocaat. De voorzieningenrechter toetste of er sprake was van een spoedeisend belang dat een voorlopige voorziening rechtvaardigde.
De voorzieningenrechter oordeelde dat geen acute financiële noodsituatie was aangetoond. Verzoeker ontvangt inmiddels bijstand en het tijdsverloop maakt re-integratieactiviteiten niet meer mogelijk. Ook staat de beoordeling van een eventuele WIA-uitkering niet ter zake in deze procedure. Het verzoek werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en zonder zitting afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tot voortzetting van de ZW-uitkering wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.