ECLI:NL:CRVB:2020:2190
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor andere functies bevestigd
Appellant was werkzaam als medewerker algemene dienst en meldde zich ziek met rugpijn. Na een eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWb) stelde het UWV vast dat appellant geen recht meer had op ziekengeld omdat hij meer dan 65% van zijn loon kon verdienen met andere functies. Appellant maakte geen bezwaar tegen dit besluit, maar na een nieuwe ziekmelding en beoordeling in 2017 werd opnieuw vastgesteld dat hij geschikt was voor andere functies en werd zijn ziekengeld beëindigd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat de verzekeringsartsen zorgvuldig hadden vastgesteld dat appellant geschikt was voor de geduide functies. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn pijnklachten wisselend waren en dat de functies onvoldoende rekening hielden met zijn beperkingen, maar hij leverde geen nieuwe medische stukken aan.
De Raad overwoog dat de Ziektewet uitkering alleen toekomt bij ongeschiktheid voor de laatst verrichte arbeid of, na 52 weken, voor gangbare arbeid zoals nader omschreven in de EZWb. Omdat appellant geen nieuwe medische gegevens had overgelegd en de functies voldoende mogelijkheden boden om van houding te wisselen, concludeerde de Raad dat appellant terecht geschikt was verklaard. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering is terecht beëindigd omdat appellant geschikt is voor andere functies volgens de EZWb.