ECLI:NL:CRVB:2020:2147
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot regularisatie sociale zekerheidsbijdragen en schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
De zaak betreft een hoger beroep tegen het besluit van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) om het verzoek van appellant om mee te werken aan regularisatie van sociale zekerheidsbijdragen af te wijzen. De Svb handhaafde het besluit na onderzoek naar bijzondere omstandigheden, zoals opgedragen door de Raad in een eerdere uitspraak. Appellant voerde aan dat er beperkte beleidsvrijheid was bij regularisatie en dat het Nederlandse stelsel geen verrekening van premies tussen lidstaten voorziet, naast andere argumenten.
De Raad oordeelde dat appellant vanaf 1 januari 2008 rekening had moeten houden met de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving en dat de Svb terecht geen bijzondere omstandigheden aannam die regularisatie rechtvaardigen. De civielrechtelijke aspecten van loonafspraken en eventuele verjaring van terugvorderingen vallen buiten het bestuursrechtelijke kader en liggen in de risicosfeer van appellant. De Svb toonde bereidheid om te proberen premieverrekening tussen Luxemburg en Nederland te bewerkstelligen, maar dit was geen grond voor regularisatie.
Daarnaast behandelde de Raad het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De totale procedure duurde ruim zes jaar, terwijl de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties maximaal vier jaar bedraagt. De overschrijding wordt volledig aan het bestuursorgaan toegerekend, wat leidt tot een schadevergoeding van € 2.500,- en een proceskostenvergoeding van € 262,50 ten laste van de Svb.
De Raad verklaarde het beroep ongegrond, bevestigde het bestreden besluit en veroordeelde de Svb tot betaling van de schadevergoeding en proceskosten aan appellant.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de Svb wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.