ECLI:NL:CRVB:2020:2085
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring beroep tegen niet tijdig genomen besluit studiefinanciering
Betrokkene vroeg studiefinanciering aan op grond van de Wet studiefinanciering 2000. De minister kende een prestatiebeurs toe met een aanvullende beurs van €0,00, omdat het inkomen van de ouders nog niet bekend was. Betrokkene diende een verzoek in om het inkomen van haar vader op te vragen. Na het uitblijven van een beslissing stelde zij de minister in gebreke en startte een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit over de aanvullende beurs.
De rechtbank oordeelde dat de minister in gebreke was en legde een dwangsom op. De minister ging in hoger beroep en stelde dat het besluit van 25 mei 2018 een volledige beslissing was en dat het verzoek inkomen ouders opvragen geen aanvraag was, zodat geen nieuwe beslistermijn was gestart.
De Raad overwoog dat het verzoek inkomen ouders opvragen niet als een aanvraag in de zin van artikel 1:3 Awb Pro kan worden gezien en dat het besluit van 25 mei 2018 rechtsgeldig was. Daarom is het beroep niet-ontvankelijk. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd en het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit wordt niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit wordt niet-ontvankelijk verklaard.